Digitale vooruitgang : Een nieuwe weg

Vijftien jaar geleden begon ik te bloggen over technologie en haar invloed op samenleving, overheid, sport en persoonlijk leven. Het vertrouwen van toen heeft geleidelijk plaatsgemaakt voor wantrouwen en inmiddels heb ik afscheid genomen van alle sociale media. In deze serie schets ik die weg;. Dit slotdeel gaat over mijn afscheid van sociale media en over de nieuwe weg die voor ons ligt.

De toon verhardt

Het afscheid voltrok zich in etappes. Facebook had ik al eerder verwijderd. Toen ik voor een Sinterklaasintocht schreef dat een ongestoord kinderfeest mij belangrijker leek dan het demonstratierecht van antipieten, schrok ik van de agressieve reacties. De sociale interactie waarvoor ik ooit was gekomen, was vervangen door algoritmen die verontwaardiging belonen. De documentaire The Social Dilemma gaf het laatste zetje. Wat oud-medewerkers uit Silicon Valley daarin bekenden, wist ik eigenlijk al: alles draait om verslaafd maken en gedrag beïnvloeden, want daaraan wordt verdiend. Er zijn maar twee bedrijfstakken die hun klanten gebruikers noemen: drugs en software.

Afgekickt

Ik verwijderde de apps van mijn telefoon en miste tot mijn verrassing niets. Ik schakelde over op betaalde en privacyvriendelijke alternatieven, van Signal tot DuckDuckGo, en doneerde aan Wikipedia. Silicon Valley-pionier Jaron Lanier had gelijk gekregen: verbonden zijn was verslaving geworden en er helemaal uitstappen de enige optie. Al besefte ik hoe geprivilegieerd die keuze is. In een peiling in mijn netwerk zei ruim tweederde best een euro per maand te willen betalen voor een privacyvriendelijk alternatief, maar het gebruik van sociale media bleef onveranderlijk hoog en de beurskoers van Facebook verdubbelde dwars door alle schandalen heen. Wie voor werk, school of vereniging afhankelijk is van de platforms, zit gevangen in hun monopolie. De likes verruilde ik voor kudos op Strava. Nog steeds een verslaving, maar een gezonde.

Verbieden of verantwoord gebruik

Wantrouwen mag alleen geen eindstation zijn. Toen een staatssecretaris in 2023 ChatGPT voor rijksambtenaren wilde verbieden, herkende ik de reflex van de Donnerbrief uit 2011, die de publieke cloud in de ban deed. Het resultaat destijds: hogere kosten, grotere achterstand en een achterdeur die toch openstond. Simpelweg verbieden remt innovatie en pakt averechts uit. De opgave is verantwoord gebruik, met spelregels die worden gehandhaafd.

Perspectief: begin bij de kinderen

Die spelregels zijn het hardst nodig voor de generatie die nu opgroeit in een digitale omgeving die vrijwel volledig door Big Tech wordt vormgegeven. Platformen als TikTok en Instagram beïnvloeden kinderen diepgaand in hun zelfbeeld en wereldbeeld. Bescherming begint dicht bij hun leefwereld: smartphonevrije scholen zijn uitvoerbaar en effectief, ouders verdienen steun bij de digitale opvoeding en privacyvriendelijke, kindgerichte platforms verdienen een kans. De sleutel ligt vervolgens bij Europa, want de AVG heeft bewezen dat Europa Big Tech kan bijsturen. De meest veelbelovende route is het reguleren van schadelijke algoritmes. Leg de verantwoordelijkheid niet bij het kind dat zich online moet identificeren, maar bij de producent. Zoals speelgoed aan veiligheidsnormen moet voldoen, kunnen digitale producten worden getoetst op kindveiligheid: transparante aanbevelingssystemen, geen eindeloos scrollen, geen misleidende ontwerptrucs. Apps hoeven daarvoor niet verboden te worden, zolang zij standaard veilige modi inbouwen en ouders aanvullende instellingen laten beheren.

De spiegel is helder

De serie Black Mirror, ooit sciencefiction, houdt ons die spiegel al jaren voor: wat begint als gemak, eindigt als afhankelijkheid. De cirkel is rond, maar niet gesloten. De participerende burger, de mondige consument en de verrijkte sportbeleving waren geen valse idealen. Ze zijn gekaapt door verdienmodellen die wij te laat doorzagen. Mijn vertrouwen in de technologische ontwikkelingen ben ik kwijt. Mijn vertrouwen dat wij er iets aan kunnen doen niet. De spiegel is helder, maar wat doen wij ermee?

Digitale vooruitgang : De keerzijde

Vijftien jaar geleden begon ik te bloggen over technologie en haar invloed op samenleving, overheid, sport en persoonlijk leven. Het vertrouwen van toen heeft geleidelijk plaatsgemaakt voor wantrouwen en inmiddels heb ik afscheid genomen van sociale media. In deze serie schets ik die weg. Dit derde deel gaat over de jaren waarin de keerzijde zichtbaar werd.

Op zoek naar problemen

Rond 2016 veranderde de toon van mijn blogs. De maatschappelijke impact van technologie bleek moeilijk te voorspellen, schreef ik, denkend aan de wasmachine die niet de huisvrouw hielp maar de emancipatie versnelde. Maar de vraag eronder werd scherper: wat is eigenlijk de maatschappelijke relevantie van al die innovaties? Nieuwe technologische oplossingen waren naarstig op zoek naar maatschappelijke problemen, in plaats van andersom.

De machines kennen ons

Toen ontdekte ik hoe goed de machines mij kenden. Amerikaanse onderzoekers bouwden een algoritme dat persoonlijkheid voorspelt uit sociale media. Ik voerde mijn 3.232 tweets in en kreeg binnen seconden een rapport dat vrijwel identiek was aan de uitslagen van psychologische tests die ik ooit met vragenlijsten had gedaan. Vanaf zeventig likes kent Facebook je beter dan je vrienden. Zolang je zulke analyses zelf onder ogen krijgt, is er weinig aan de hand, schreef ik. Het wordt een ander verhaal als bedrijven en overheden ermee aan de haal gaan. Dat verhaal kwam er. Blind vertrouwen op zelflerende software bleek sowieso onverstandig: Microsofts chatbot Tay vergaloppeerde zich binnen een dag aan racistische uitspraken, en de logica achter de algoritmen bleef een black box die niemand kon verklaren.

Orwell nabij

Gezichtsherkenning maakte de dreiging tastbaar. Facebook beschikte over 1,4 miljard gescande gezichten, gekoppeld aan echte identiteiten. In het Chinese Shenzhen werden voetgangers die door rood liepen automatisch geflitst, geïdentificeerd en bij herhaling op een zwarte lijst gezet, als onderdeel van een sociaal kredietsysteem waarin ook online gedrag, betaalgedrag en contacten meetellen. Een Chinese politicus liet zich ontvallen dat Orwells 1984 nabij was. Dat was ver weg, maar ook dichtbij: onze eigen politie experimenteerde met dezelfde technologie, en achter de schermen beoordeelden algoritmen sollicitatiebrieven en klantvragen. Computer says no.

De genadeklap

De genadeklap voor mijn vertrouwen kwam met Cambridge Analytica. De documentaire The Great Hack liet zien hoe twijfelende kiezers in een handvol Swing States met een leugenachtig berichtenbombardement over de streep werden getrokken. Sinds Facebook kunnen we geen normale verkiezingen meer hebben, concludeerde de journalist die het schandaal onthulde. Manipulatie bleek bovendien een consumentenproduct: voor 49 dollar kon iedereen online een campagne kopen om de eigen partner of collega drie maanden lang met nepberichten te bestoken. En op LinkedIn verzamelde de door AI gefabriceerde nepvrouw Katie Jones moeiteloos connecties in de top van de Amerikaanse politiek.

Handelswaar

Het patroon was niet meer te ontkennen. De data die wij argeloos achterlieten waren verworden tot handelswaar. Het internet was niet langer de vrije publieke ruimte die mensen verbindt, maar het domein van partijen die gebruikers primair zien als product en pas daarna als klant. De participerende burger uit mijn vroege blogs bleek een profiel in andermans database, de mondige consument een doelwit voor gerichte beïnvloeding. Ik schreef nog hoopvol over Europese regels en een mensgericht internet. Maar zelf stond ik intussen voor een persoonlijker vraag: hoe lang blijf je deelnemen aan een systeem waarvan je weet hoe het werkt?

Digitale vooruitgang : Meten is weten

Vijftien jaar geleden begon ik te bloggen over technologie en haar invloed op samenleving, overheid, sport en persoonlijk leven. Het vertrouwen van toen heeft geleidelijk plaatsgemaakt voor wantrouwen en inmiddels heb ik afscheid genomen van sociale media. In deze serie schets ik die weg. Dit tweede deel gaat over technologie in sport en persoonlijk leven, waar de eerste barstjes zichtbaar werden.

Sport verrijkt

Nergens was mijn enthousiasme groter dan in de sport. Uit onderzoek bleek dat sporters bovengemiddelde sociale media gebruikers waren en dat berichten op sociale media jongeren aanzetten om meer te bewegen. Terwijl sporters permanent online waren, communiceerden veel clubs nog via clubblaadjes per post. Vijfendertig jaar lang viel het blad Roeien bij mij op de mat, tot na 74 jaar het doek viel. De Roeibond zette in op sociale media en lanceerde met de hoofdsponsor een roeigame waarmee sportschoolbezoekers virtueel over de Theems of de Bosbaan konden roeien. Zo kon indoor-roeien een opstap worden naar de vereniging. Dit was precies wat ik voor ogen had: technologie die de sport verrijkt en verbindt.

King of Mountain Verse Eieren

Ook mijn eigen trainingen werden data. Onze vaste roeitrajecten op de Vliet maakte ik aan als segmenten in Strava. Tussen de molens en bruggetjes roeiden wij onze intervallen, en voortaan stonden de tijden in een klassement, compleet met concurrentie van studenten en andere verenigingen. Op het traject naar de boerderij die allang geen eieren meer verkocht, mocht ik mij King of Mountain Verse Eieren noemen. Het mat, het motiveerde en het was vermakelijk.

Digitale epo

Maar juist in dat gemeten leven diende de twijfel zich aan. Cijfers liegen niet, dacht ik, tot ik fietsers met veertig kilometer per uur een col zag bedwingen. Digitale epo bleek te koop: je uploadt een trackbestand en verhoogt de snelheid met ieder gewenst percentage. Ik probeerde het zelf en was voor even koploper op een klim waar ik in werkelijkheid was gelost. Als data zo eenvoudig te manipuleren zijn, wat zijn klassementen dan waard? En belangrijker: maakte al dat meten ons eigenlijk gelukkiger? Het sociale gevoel van samen presteren, de ochtendnevel boven het water, dat laat zich niet in getallen vatten.

Intieme technologie

De volgende stap riep grotere vragen op. Sensoren kropen dichter op de huid: smart shirts die hartslag en bloeddruk registreren, gps-schoenen, slimme pleisters. In een Zweeds kantoorgebouw liepen proeven met chips onder de huid, in ruil voor gebruiksgemak. Ik schreef destijds een geruststellende zin die ik nu anders lees: zonder onderhuidse chip kunnen we nog zelf beslissen of we gevolgd willen worden, straks hebben we die keuze wellicht niet meer.

Tegelijk zag ik wat er te winnen viel. Ik schetste het scenario van een fietser die op een duintop onwel wordt, waarna zijn smartphone alarm slaat en vrijwilligers met een AED binnen enkele minuten ter plaatse zijn. Continue monitoring kan levens redden, dat stond en staat voor mij vast. Maar daar begon het ook te schuiven. Mijn sporthorloge meet 24 uur per dag mijn hartslag. Handig voor de training, maar wat als mijn zorgverzekeraar die gegevens wil gebruiken voor premie en risicotoeslag? De technologie die mijn sportbeleving verrijkte, bleek dezelfde die mijn lichaam omzette in handelswaar. De vraag wie er meekeek liet zich niet meer wegdrukken. Het antwoord zou de jaren daarna harder aankomen dan ik vermoedde.

Digitale vooruitgang : De belofte

Vijftien jaar geleden begon ik te bloggen over technologie en haar invloed op samenleving, overheid, sport en persoonlijk leven. Ik geloofde in de belofte van sociale media: een participerende burger, een mondige consument en een verrijkte sportbeleving. Mijn netwerk groeide tot boven de tienduizend volgers op Twitter. Inmiddels heb ik afscheid genomen van sociale media. Het vertrouwen in technologische vooruitgang heeft geleidelijk plaatsgemaakt voor wantrouwen. Hoe is dat zo gelopen? In vier blogs schets ik die weg, aan de hand van wat ik afgelopen vijftien jaar schreef. Dit eerste deel gaat over de jaren van optimisme.

Debuut op Mindz.com

Mijn debuut als blogger maakte ik op het platform Mindz.com met een verhaal over Nederland als Calimero in Europa. Het werd uitgeroepen tot beste blog van het weekend. De prijs bestond uit twee boeken, een usb-stick en een set golfballen. Veel belangrijker was de waardering en de aanmoediging om te blijven schrijven. Er ging een wereld voor mij open: voortaan kon iedereen publiceren zonder tussenkomst van een professionele redactie. Kennis delen met gelijkgestemden, discussiëren met vakgenoten, een netwerk opbouwen dat verder reikte dan de eigen werkkring. Delen was het nieuwe vermenigvuldigen.

Gadgetfreak

Die fascinatie voor nieuwe media zat er bij mij al vroeg in. In ons ouderlijk huis was geen plaats voor een televisie. Mijn vader vond de televisie geestdodend en een aanslag op het familieleven. In de woonkamer werd klassieke muziek gedraaid, gelezen en gescrabbeld. Zo groeide ik op zonder Pipo de Clown en Swiebertje. Die achterstand heb ik ruimschoots ingelopen. Uit nijd om wat mij in mijn jeugd was onthouden, kocht ik als een van de eersten een PC, een smartphone en een tablet. Ik wilde er meteen bij zijn als er iets nieuws werd gelanceerd.

Netwerksamenleving

Het ging mij daarbij niet om de gadgets zelf, maar om de paradigmaverschuiving die zij aankondigden. Het initiatief verschoof naar burgers en consumenten. Wij leefden niet langer in een hiërarchisch geordende samenleving maar in een netwerksamenleving, waarin mondige burgers hun weg wisten te vinden. Sociale media speelden een hoofdrol in de nieuwsvoorziening over de protesten in de Arabische wereld. Consumenten konden zich via vergelijkingssites en recensies eindelijk weren tegen aanbieders. Binnen de familie versterkten Hyves en Facebook het onderlinge contact. Sociale media, mobiele technologie, big data en de cloud waren in mijn ogen de aanjagers van een opkomende deeleconomie die de verhoudingen tussen overheid, samenleving en bedrijven blijvend zou veranderen.

Politici moeten luisteren

Van de overheid en de politiek verwachtte ik dat zij zouden meebewegen. Toen de Raad voor het Openbaar Bestuur in 2012 adviseerde over sociale media in de democratie, was mijn kritiek niet dat de Raad daarin te ver ging, maar dat de focus verkeerd was. De aanbevelingen waren open deuren: sociale media opnemen in de communicatiestrategie, portalen en communities opzetten. Alsof de samenleving zat te wachten op nog een MijnOverheid.nl. Mijn boodschap was een andere: politici moeten minder zenden en meer luisteren. De technologie maakte het eindelijk mogelijk om signalen uit de samenleving direct op te vangen.

Waar zat het wantrouwen?

Terugkijkend valt mij op waar mijn kritiek zich destijds op richtte. Niet op de technologie, maar op de instituties. De platforms waren in mijn ogen neutrale kanalen, de bemoeienis van de bedrijven erachter was beperkt en de toon van de berichten overwegend positief. Het probleem waren de trage overheden en de dove politici die de kansen lieten liggen. Dat de kanalen zelf een agenda konden krijgen, dat de neutraliteit een verdienmodel zou blijken, die gedachte kwam toen nog niet in mij op. Wie waarschuwde voor de zwarte kant van sociale media, zette ik weg als onheilsprofeet. Was dat naïef, of was er toen werkelijk nog iets te kiezen?

De berg die mij nooit meer losliet

Wie vanuit het Rhônedal de Vaucluse binnenrijdt, ziet hem al van ver. De Mont Ventoux torent boven de wijngaarden en lavendelvelden uit als een reus die het landschap in de gaten houdt. Bijna veertig jaar geleden zag ik hem voor het eerst en sindsdien laat de berg mij niet meer los. Inmiddels sta ik op vijfenzeventig beklimmingen, en nog steeds lokt de kale top elke zomer opnieuw.

1987: een eerste kennismaking in de mist

In de zomer van 1987 stond de Ventoux nog op mijn verlanglijstje. De Alpen en de Pyreneeën had ik al gefietst, maar de wielerverhalen over deze loodzware klim maakten het verlangen alleen maar groter. Een paar dagen eerder was de tijdrit van de Tour de France verreden, van Carpentras via Bédoin naar de top. De namen van de renners stonden nog vers gekalkt op het wegdek: Mottet, Delgado, Fignon, Breukink, Jeff.

De eerste kilometers vanuit Bédoin gingen vlot, tot na de haarspeldbocht bij Saint-Estève het echte klimwerk door het bos begon. En toen stak er plots een potdichte mist op. Zelfs de bomen langs de weg verdwenen uit zicht. Ik moest mij oriënteren op de witte streep rechts van het wegdek om überhaupt op de weg te blijven. Bij Chalet Reynard reed ik bijna het terras op. Na anderhalf uur klimmen kwam ik verkleumd en uitgeput boven, zonder ook maar iets van het beroemde maanlandschap te hebben gezien.

De tijdrit was gewonnen door Jean-François Bernard, in een recordtijd van 58 minuten en 2 seconden. Hij pakte er de gele trui mee en leek op weg naar de Tourzege, tot de pech hem een dag later inhaalde. Zo leerde de Ventoux mij meteen zijn eerste les: op deze berg wordt niets cadeau gegeven.

2001: een klap uit het niets

Dat de berg ook grimmig kan zijn, ondervond ik op 12 augustus 2001. Vanuit de Luberon fietste ik richting Sault om van daaruit de Ventoux te beklimmen. In de klim naar het stadje voelde ik plotseling een harde klap op mijn linkerbil. In mijn ooghoek zag ik een motorrijder onderuitgaan, meters doorschuiven over het asfalt en roerloos blijven liggen. Ik hield de eerste auto aan, liet de weg blokkeren en het alarmnummer bellen. Zijn vrienden verzekerden mij dat ik keurig rechts had gereden. Het slachtoffer zelf, zwaargebouwd en niet meer in staat te bewegen, schreeuwde ondertussen herhaaldelijk “putain de cycliste” over de weg.

Wat volgde was een verhoor op het politiebureau, een dagvaarding een half jaar later en een Franse rechtszaak die zich jaren voortsleepte. Vier jaar na het ongeluk kwam het verdict: ik zou de motorrijder omver hebben geduwd en moest alle schade vergoeden. De Ventoux heb ik die dag niet gehaald. In de verte pakten de onweerswolken zich al samen boven de berg, alsof hij wilde zeggen dat het die dag toch niets was geworden.

2012: samen met David naar boven

Elf jaar later kreeg de berg een nieuwe betekenis. Mijn zoon David, toen vijftien, had dat jaar belangstelling gekregen voor de racefiets. Via Marktplaats kochten wij een mooie Bianchi en in de duinen oefenden wij het wielrennen. Hij viel een paar keer omdat zijn schoen niet tijdig uit de klikpedaal kwam, maar stuurde behendig en hield moeiteloos mijn wiel.

Die zomer fietsten wij samen in één ruk naar de top van de Mont Ventoux. Geen voet aan de grond, want anders telt de beklimming niet. Met die prestatie verbaasde hij zichzelf en zijn trotse ouders. Opgeven bleek geen optie, en dat is misschien wel de belangrijkste les die deze berg aan een vader en een zoon kan meegeven. Het leven is als fietsen: om je evenwicht te houden, moet je in beweging durven blijven.

2017: wandelend in de voetsporen van Petrarca

Vijf jaar later stond ik opnieuw met een zoon op de berg, dit keer te voet. Paul, toen zeventien, en ik namen ons voor de Ventoux wandelend te verkennen, zoals de Italiaanse dichter Petrarca dat al in 1336 deed, “louter uit begeerte om zijn bijzondere hoogte in ogenschouw te nemen”.

Vanaf Mont-Serein hield Paul het tempo hoog. “Ils montent trop vite”, hoorde ik een groep Franse wandelaars achter ons mopperen. Via de GR9 liepen wij over een smalle richel door de steenvlakte, langs een kudde schapen met waakzame honden, naar de kale kam met de toren in zicht. Op de top trakteerden wij onszelf in café Vendran op tarte aux myrtilles en warme chocolademelk. Ruim dertien kilometer in drie uur en tweeënveertig minuten; Petrarca had er destijds meer dan twintig uur voor nodig. Al fietsend zie je vooral asfalt en de top die dichterbij komt. Wandelend openbaart de berg pas echt zijn schoonheid.

En elk jaar opnieuw

Sindsdien is de zomer niet compleet zonder de Ventoux. Elk jaar keren wij terug naar de Provence, met fietsvrienden of met familie. We hebben er vaste rituelen opgebouwd. Bij het uitzichtpunt over de Pays de Sault maken wij jaarlijks onze familiefoto’s. We bezoeken de markten van Vaison-la-Romaine en Bédoin, fietsen door de Dentelles en de Gorges de la Nesque, en borrelen op het terras met uitzicht op de berg.

De Ventoux zelf verandert intussen mee. Waar ik in 1987 vrijwel alleen door de mist omhoog klom, beklimmen tegenwoordig jaarlijks honderdduizenden toeristen de berg en houdt Strava precies bij hoe snel iedereen boven is. De top werd gerenoveerd om al die drukte in goede banen te leiden. En de gevaren zijn gebleven: wie vanuit een vakantiehuis aan de voet van de berg dagelijks de ambulances omhoog ziet rijden, weet dat de reus respect verdient. Toch keer ik elk jaar terug, en de laatste jaren steeds vaker ook zonder per se de top te hoeven halen. Een rondje door de lavendelvelden, een wandeling op de flanken, een lunch met uitzicht op die witte top: het is allemaal Ventoux. Waarom die ene berg zo’n greep op een mens kan krijgen, weet ik na bijna veertig jaar nog steeds niet precies. Misschien had Petrarca het al goed gezien. Op de top ligt de bestemming van de reis, maar de begeerte naar die bijzondere hoogte begint elk jaar gewoon weer opnieuw.

Achttien dagen zonder AI: drie lessen voor het Rijk

Twee van de grootste IT-dienstverleners binnen de Rijksoverheid, DICTU en SSC-ICT, gaan intensief samenwerken aan de opbouw van een gecentraliseerd, soeverein en schaalbaar AI-ecosysteem. Met een officiële intentieverklaring committeren beide organisaties zich aan een taakverdeling. SSC-ICT levert de generieke infrastructuur en AI-diensten, zoals een met de AIVD ontwikkelde omgeving voor Veilige Lokale AI Modellen. DICTU bouwt domein specifieke toepassingen, zoals een chatvoorziening. Het doel is ambitieus: volgens de aankondiging worden op termijn 80.000 rijksambtenaren, ongeveer de helft van de rijksdienst van ruim 160.000 fte, voorzien van veilige, autonome AI-oplossingen en wordt voorkomen dat elk ministerie afzonderlijk het AI-wiel uitvindt.

Wie een dergelijke ambitie wil laten slagen doet er goed aan wekelijks een uur te reserveren voor Turing Station. Deze nieuwe Nederlandstalige podcast van Bart Mol, Bert Slagter en Peter Slagter zoekt elke week het signaal in de ruis rond AI: wat verandert er, waarom doet het ertoe en wat betekent het voor werk, technologie en samenleving? Juist omdat de makers ontwikkelingen duiden in plaats van hypen, is de podcast waardevol voor bestuurders en beleidsmakers die geen techneuten zijn, maar wel besluiten moeten nemen over technologie. Drie lessen uit de eerste afleveringen raken de kern van wat DICTU en SSC-ICT willen bouwen.

Les één: soevereiniteit is geen beleidsjargon maar bittere noodzaak. In juni 2026 legde de Amerikaanse overheid van de ene op de andere dag exportrestricties op aan de nieuwste AI-modellen van Anthropic. Gebruikers wereldwijd verloren achttien dagen lang de toegang, zonder gedetailleerde onderbouwing. De les is ongemakkelijk maar helder: toegang tot Amerikaanse frontier-modellen is een politieke variabele, geen contractuele zekerheid. Een eigen, soeverein ecosysteem is precies het juiste antwoord, mits jurisdictierisico’s ook in elke leverancierskeuze en elk contract expliciet worden gewogen.

Les twee: schaalbaar betekent uitwisselbaar. Uit de podcast blijkt dat open-weights modellen nog maar drie tot vier maanden achterlopen op de beste gesloten modellen. Dat verandert alles voor een overheid die niet afhankelijk wil zijn van één commerciële partij. Een toekomstbestendig ecosysteem klinkt zich daarom niet vast aan één model, maar kiest een multi-model-architectuur waarin modellen uitwisselbaar zijn en de terugvaloptie periodiek wordt getest. Wie op één model bouwt, bouwt op drijfzand. De achttien dagen modeluitval van juni hebben dit aangetoond.

Les drie: zonder tokengovernance wordt het ecosysteem onbetaalbaar. De podcast beschrijft hoe op gebruik gebaseerde facturering van AI onvoorspelbaar schaalt: individuele ontwikkelaars geven inmiddels meer dan een miljoen dollar per maand uit aan tokens en organisaties zagen hun AI-budgetten binnen enkele maanden uit de hand lopen. Voor een voorziening die 80.000 ambtenaren moet bedienen is dit geen detail maar een financieel vraagstuk. Richt daarom vanaf dag één verbruikssturing in: limieten per dienst, realtime monitoring van tokenverbruik en doorbelasting naar afnemende organisaties.

De intentieverklaring van DICTU en SSC-ICT is een startschot. De praktijk bij veel organisaties leert dat medewerkers niet wachten op een centraal ecosysteem. Onderzoek toont dat negen op de tien medewerkers zonder goedgekeurde tooling allang persoonlijke AI-tools gebruikt op het werk, buiten het zicht van de IT-organisatie. Het soevereine alternatief moet er dus niet alleen komen, het moet er ook snel goed genoeg zijn om die stille praktijk te vervangen. Of het gecentraliseerde, soevereine en schaalbare AI-ecosysteem werkelijkheid wordt, hangt niet alleen af van de technologie, maar vooral van de governance eromheen: geopolitieke risico’s serieus nemen, modelonafhankelijkheid afdwingen en kosten beheersbaar houden.

Steen en tijd

Château de Murol

Een reis door de middeleeuwen

Op 20 april 2026 parkeren wij in de ondergrondse garage onder de Place du Martroi in Orléans en lopen een voormalig klooster binnen dat nu dienst doet als hotel. Vanuit het raam kijken wij recht op de Cathédrale Sainte-Croix. Het is een aankomst die haast vanzelf de ogen opent voor wat deze reis zou worden: een tocht door de lagen van de Europese middeleeuwen, van de Loire tot de vulkanische hoogvlakten van de Auvergne.

In de kathedraal van Orléans spreekt het glas-in-lood het verhaal van Jeanne d’Arc. Hier vertrekt de narratieve reis: een boerenmeisje uit Domrémy dat in 1429 een belegerd Orléans bevrijdde en in 1431 op de brandstapel stierf. De ramen zijn gemaakt in de negentiende eeuw, op het hoogtepunt van het Franse nationalisme, maar het verhaal is middeleeuwser dan het lijkt. Jeanne d’Arc is zowel heilige als nationale mythe. Haar ster staat op het centrale plein van de stad, haar naam op elk bord. Orléans heeft haar nodig om zichzelf te begrijpen: de stad werd in de Tweede Wereldoorlog grotendeels verwoest en is daarna herbouwd, maar de kathedraal bleef overeind als anker van continuïteit.

Van Orléans rijden we zuidwaarts naar Gourdon in de Lot, door een landschap dat nauwelijks veranderd lijkt. Enge weggetjes leiden ons naar smalle heuvels en kalksteendalen. In Sarlat-la-Canéda lopen wij door de middeleeuwse binnenstad die model staat voor wat erfgoedbeheer vermag. De stad is gerestaureerd met een fors budget, maar die restauratie heeft een paradox geschapen: de huizen zijn te duur geworden voor de bewoners die er altijd hebben gewoond. Schoonheid als verdringing. Het is een ongemakkelijke les over de grenzen van het conserveren.

Een dag later staat het Château de Castelnaud hoog op zijn rots boven de Dordogne. Buiten staan reusachtige belegeringsmachines, nagebouwd op basis van middeleeuwse manuscripten en getest op het kasteelterrein. Binnen hangt het wapentuig in de zalen alsof de schildknaap zojuist was vertrokken. Wat dit kasteel uniek maakt is niet alleen de gave staat van bewaring, maar de intellectuele eerlijkheid: het laat zien hoe geweld, strategie en architectuur in de middeleeuwen één systeem vormden. Oorlog was hier geen uitzondering. Het was de norm.

Daarna naar Rocamadour. Het middeleeuwse pelgrimsoord klemt zich vast aan een verticale rotswand boven de Alzou. Wie de Grand Escalier van 216 treden op de knieën wil beklimmen, kan dat nog steeds doen. Wij nemen de lift. Boven wacht de Chapelle Notre-Dame met het beeld van de Zwarte Madonna: een houten figuur, strak en archaïsch, omgeven door kaarslicht en gefluisterd gebed. Rocamadour was in de twaalfde en dertiende eeuw een van de drukst bezochte pelgrimsoorden van Europa, op de route naar Santiago de Compostela. Koningen en keizers kwamen hier ter voet. Vandaag stromen toeristen door de straatjes langs winkeltjes met kersendrank en geitenkaas. De heiligheid en de attractie zijn al eeuwen met elkaar verweven.

Vijf nachten logeren wij in Montpeyroux, een Plus Beaux Village hoog boven de Allier-vallei, opgebouwd uit het grijze kalksteen van de regio. Ons appartement bevindt zich in een voormalige wijnkelder. Elke ochtend kijken wij uit over een landschap dat in de vroege uren nog mist draagt. Hier begint de eigenlijke Auvergne, het hart van wat eens het machtige graafschap Auvergne was, en waar de romaanse bouwkunst haar meest gedistilleerde vorm vond.

Issoire is een zaterdagmarkt én een openbaring. De Abbatiale Saint-Austremoine geldt als een van de mooiste romaanse kerken van Frankrijk. Zij is gewijd aan de heilige Austremoine, een derde-eeuwse missionaris die vanuit Rome naar Gallië werd gestuurd om de Basse-Auvergne te kerstenen. Zijn relikwieën werden in de negende eeuw naar de abdij van Mozac gebracht en zijn bestaan werd vastgehouden in een middeleeuwse schrijn van Limoges-email. Een zadeldakje van vergulde koperen platen met Christusscènes in blauw en groen email. Klein van formaat, groot van betekenis. In de nacht van 3 op 4 augustus 1983 werd de schrijn gestolen en belandde na een wereldreis via Nederland, Los Angeles en Hawaï in een antiquairsgalerij in Honolulu. De politie trof hem daar aan in 1990. Op 10 juni 1992 keerde hij terug naar Issoire. De schrijn is het enige waardevolle oude object dat de abdij bezit. Zijn afdwaling en terugkeer zijn een gecomprimeerde cursus in de kwetsbaarheid van cultureel erfgoed.

Boven Clermont-Ferrand rijdt de Panoramique des Dômes ons naar de top van de Puy de Dôme. Daar staan de resten van een Romeinse tempel voor Mercurius, gebouwd op een heilige top die Gallische volken al vereerden vóór de Romeinse komst. Op de flanken van de Chaîne des Puys springen paragliders van de rand en zweven in cirkels boven het zwart-groene vulkaanlandschap. Het is hetzelfde panorama dat middeleeuwse monniken vanuit hun abdijvensters zagen. In Saint-Saturnin lopen wij daarna door een dorp geheel gebouwd van vulkanisch gesteente. De romaanse kerk herbergt een vijftiende-eeuwse Pietà in de crypte en een vroeg-zestiende-eeuwse Annunciatie op de muur van het koor.

In Orcival, ten slotte, staat de Basilique Notre-Dame. Daarin de Vierge en Majesté: een tronende Maria van hout, bekleed met zilver en vergulding, elk jaar met Hemelvaart in processie door het dorp gedragen. Bij binnenkomst gilt het alarm. Wij lunchen, keren terug. De kerk is dan stil. De steen, de proporties, de Auvergnese piramide van koor en uitstralende kapellen, alles trilt op dezelfde grondtoon als alle andere romaanse kerken die wij op deze reis hebben bezocht. Zelfde bouwtraditie, zelfde tempo, zelfde geloof. Het is geen toeval: de meeste van deze kerken werden snel en in korte tijd gebouwd, wat een opmerkelijke eenheid van stijl mogelijk maakte. Die eenheid is geen herhaling. Het is een overtuiging in steen.

Wat het ons vraagt

De romaanse kerken van de Auvergne zijn geen museum. Zij zijn gebouwen die ooit het centrum van een gemeenschap vormden en die nu, met moeite, door die gemeenschap in stand worden gehouden. Rocamadour trekt honderdduizenden bezoekers per jaar maar dreigt te bezwijken onder het gewicht van zijn eigen bekendheid. De reliekschrijn van Issoire werd gestolen en teruggevonden. Sarlat is zo mooi geworden dat het onbetaalbaar is voor wie er wil wonen. De Chaîne des Puys staat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Dat beschermt, maar dat garandeert nog niets.

De pelgrimstochten zijn terug in de belangstelling. Niet alleen naar Santiago de Compostela, maar ook naar de Zwarte Madonna van Rocamadour, de Vierge en Majesté van Orcival, de schrijn van Issoire. Mensen zoeken opnieuw heilige plaatsen op: met de voeten, met de knieën, met de blik omhoog. Misschien is de pelgrimstocht de oudste en meest eerlijke vorm van erfgoedbeheer. De bereidheid om de moeite te nemen. Om de stap te zetten en om te erkennen dat iets groter is dan jijzelf.

De middeleeuwen zijn niet voorbij. Zij liggen in de steen, in de schrijn, in de 216 treden die je al dan niet op de knieën beklimt. Wij reden er doorheen in twee weken, langs heilige plaatsen en vergeten dorpen, langs kathedralen en kasteelruïnes. Wat bleef hangen was geen nostalgie maar een besef: dit erfgoed vraagt om meer dan bewondering. Het vraagt om bescherming en om doorgave.

Pontifex

Jan Boissevain (1836 – 1904): de man die een brug sloeg van Nederland naar Indië

Hij gaf zijn broer een bijnaam die hem perfect paste: Pontifex, de bruggenbouwer. Charles Boissevain, journalist en hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, schreef over zijn broer Jan in zijn familiegeschiedenis Onze Voortrekkers. Wat hij schreef is geen droge levensbeschrijving. Het is een liefdesverklaring aan een man die met visie, volharding en stille bescheidenheid de Nederlandse scheepvaart naar een nieuw tijdperk loodste.

Het haantje van de Westertoren

Jan Boissevain groeit op in een gezin waar de zee geen achtergrond is, maar een dagelijkse aanwezigheid. Zijn vader is reder. Elke ochtend bij het ontbijt kijkt hij als eerste naar het haantje van de Westertoren, want wind bepaalt of zijn schepen uitzeilen kunnen. Charles schrijft: “Elken ochtend als hij bij het ontbijt binnen kwam, ging hij uit het venster kijken naar het haantje van den Westertoren, want hij was afhankelijk van wind.”

De gezagvoerders van de barkschepen komen regelmatig thuis bij de Boissevains. Meest Katwijkers, de Duivenbodes en Van der Plassen. Ze brengen geschenken mee uit de Morgenlanden. Charles en Jan groeien op met verhalen van de zee, gaan als jongens mee naar de Overzij van het IJ om te kijken hoe een hoog schip, door twintig paarden voortgetrokken, langzaam over de groene weide nadert. Als de bemanning de patroon ziet, gaat de vlag omhoog en klinkt een hoera uit het want. Jan zet die herinneringen later op rijm, in een vers aan het schip Nederland en Oranje.

Op zijn dertiende gaat Jan op kantoor bij zijn vader. Hij doorloopt de school van uitgebreid lager onderwijs en leert de scheepvaart van binnenuit. Maar terwijl anderen vasthouden aan het vertrouwde, ziet Jan al vroeg wat komen gaat.

De bakens moeten verzet

In de jaren zestig van de negentiende eeuw verandert de wereld van de scheepvaart fundamenteel. Ferdinand de Lesseps doorsteekt Afrika in 1869 met zijn Suezkanaal. Het Noordzeekanaal is in aantocht. En de compoundmachine maakt stoomschepen voor lange reizen eindelijk rendabel. Wie niet handelt, verliest.

Charles schrijft er met gevoel voor over: “Na 275 jaar was het tij verloopen en moesten de bakens verzet. De Lesseps had Afrika tot een eiland gemaakt.” Jan ziet dat Nederland aan de zijlijn dreigt te komen staan. Voor een land met Aziatische koloniën, dat soms snel soldaten moet sturen, is afhankelijkheid van vreemde scheepvaartlijnen onacceptabel. Er moet een nationale stoomvaartlijn komen tussen Nederland en Indië. Jan gaat die bouwen.

De Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’

In 1870 wordt de Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’ opgericht. Jan Boissevain is de drijvende kracht. Maar de obstakels zijn formidabel. Er zijn nauwelijks gezagvoerders voor grote pakketboten. Geen machinisten. Geen pursers. Geen scheepsartsen. En, misschien wel het meest schrijnende: in 1871 zijn noch Amsterdam noch Rotterdam toegankelijk voor grote stoomschepen. Een droogdok ontbreekt volledig.

Jan lost het allemaal op. Hij richt de Amsterdamsche Droogdokmaatschappij op. Hij regelt de spoorweghaven aan de Rietlanden. Hij bouwt een netwerk van agenten langs heel Java’s kust. Stap voor stap, verbetering na verbetering, zonder ophef. Charles beschrijft het zo: “Hij was bescheiden, en hield zich achteraf en bovendien alles is zoo geleidelijk gegaan. De eene verbetering of nieuwe instelling volgde op de andere.”

De dag dat het eerste stoomschip van de Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’, de Prins van Oranje, aanmeert in Amsterdam staat Charles erbij. Hij herinnert het zich levendig: “Wat was het een vroolijk gewoel aan de Rietlanden, toen het eerste schip daar aankwam, nieuw verkeer, nieuwe levenskracht aan Amsterdam brengend.”

Hoofd én hart

Charles zoekt in zijn beschrijving naar wat zijn broer zo bijzonder maakt. Hij vindt het in een zeldzame combinatie: “Hij had met elkander in harmonie een hoofd en een hart, dat is een karakter, waarop men rekenen kon ten allen tijde. Er was niets nukkigs of veranderlijks in hem.”

Jan is lid van de familie die Charles beschouwt als het hoofd. Iedereen raadpleegt hem. En naast zijn werk als ondernemer en organisator is hij ook dichter. Zijn vers op het schip Nederland en Oranje, zijn bijdrage aan het veertigjarig huwelijksfeest dat hij met zijn vrouw Nella viert in 1902. Dat feest, in mei van dat jaar, geeft Charles aanleiding tot een lange, warme ode in versvorm. Hij noemt zijn broer daarin Pontifex, de stoute bruggenbouwer, en schrijft: “Gij, die nu glijdt in drijvende paleizen van Holland naar zijn gordel van smaragd, de tovermacht die droomsnel u doet reizen, dat is zijn kracht van wil, zijn hoofd dat dacht.”

Nella: zijn kracht en zijn kompas

Naast Jan staat Nella, Petronella Gerharda Johanna Brugmans, met wie hij op 15 mei 1862 trouwt. Zij krijgen negen kinderen. Charles schrijft over haar met dezelfde warmte als over zijn broer. Zij is voor Jan geen stille steun op de achtergrond, maar een actieve kracht: ze springt op als verdrukten om hulp vragen, strekt haar armen uit naar gevallenen. Charles schrijft aan haar graf: “Nooit had iemand jonger hart, jonger geestdrift en frisscher ziel het geheele leven lang dan gij!”

Slechts twee jaar na het veertigjarig huwelijksfeest overlijdt Jan, in mei 1904, in Bellagio, waar hij herstel van krachten zocht. Nella overlijdt een jaar later, in mei 1905. Beiden sterven in de maand mei. Charles ziet er iets troostelijks in: er is geen betere maand om te sterven dan wanneer alles herleeft.

De vlag halfstok over de hele Archipel

Het nieuws van Jans dood bereikt Java op een zaterdag. Charles’ zoon Robert is er op dat moment. Hij schrijft over zijn vader: “De directie gelastte aan alle agenten van de Paketvaart, over onze Indische eilanden verspreid, de vlag halfstok te halen, en hij die het mij vertelde zeide met aandoening: en zoo woei de driekleur, die hem zoo lief was, halfstok in rouwe overal in den geheelen Archipel!”

Robert schrijft ook: “Welk een mooi leven is het zijne geweest!” En dat is precies het gevoel waarmee Charles zijn levensbeschrijving besluit. Niet met rouw, maar met een opdracht aan de volgende generatie. De Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’ is het ware gedenkteken aan zijn broer, schrijft hij. En zijn boodschap aan zijn kleinkinderen is direct:

“Mijn kleinkinderen, ge kunt geen beter ideaal voor uw leven en streven kiezen, dan het leven van mijn broeder Jan. Eert hem door hem na te volgen.”

Een naam om te dragen

Jan Boissevain bouwde geen kathedralen en voerde geen oorlogen. Hij bouwde een stoomvaartlijn, een droogdok en een haven. Hij deed het rustig, stap voor stap, zonder subsidies, in een land dat liever afwachtte dan handelde. Charles citeert de Franse schrijfster Daniel Stern om te zeggen wat dat betekent voor de familie: “Hériter de l’arbre qu’a planté mon aïeul c’est hériter d’une portion de leur cœur et de leur pensée, c’est continuer leur vie.” [i]

De boom die Jan plantte, heet de Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’. Zijn takken strekken zich uit over de hele Archipel. En de vlag die hij zo liefhad, woei halfstok toen hij stierf, op elk eiland dat hij met het vaderland had verbonden.


[i] Wie de boom erft die zijn voorvader heeft geplant, erft een deel van diens hart en gedachten en zet zijn leven voort.

Pen, recht en negen kinderen

Familie Jean Henri Guillaume Boissevain, zilveren bruiloft in 1868 Wicher, Jean Henri Guillaume, Jelle, Anna Sara Wichers, Willem, Hugo, François, Eduard, Margot

Jean Henri Guillaume Boissevain (1817 – 1870) en het gezin dat hij naliet

Hij stierf op drieënvijftigjarige leeftijd, na een ongesteldheid van slechts weinige dagen. Zijn gezin telde negen kinderen. Zijn stad verloor een steun en een sieraad. Zijn neef Charles Boissevain, journalist bij het Algemeen Handelsblad, schreef later over hem in zijn familiegeschiedenis Onze Voortrekkers. Wat hij optekende, is een portret van een man die vocht voor vrijheid van drukpers, voor liberale hervorming, voor rechtvaardigheid en die dit alles deed met een pen zo scherp dat zijn tegenstanders hem vreesden.

Een Boissevain met liberaal bloed

Jean Henri Guillaume Boissevain wordt in mei 1817 geboren in Amsterdam, als zoon van mr. Henry Jean Boissevain en Aleida Margaretha Reiners. De Boissevains zijn een hugenoten-familie die zich al generaties lang heeft toegelegd op de handel. Zijn oom Daniël Boissevain en neef Gideon Jeremie Boissevain zijn vooraanstaande kooplieden. De familie behoort tot wat men de ‘tweede coterie’ noemt, na de oude Amsterdamse regentenfamilies. Verwant aan de Van Eeghens en de De Clercqs, is zij stevig geworteld in het protestantse, liberale koopmansmilieu van de hoofdstad.

Jean Henri kiest niet voor de handel, maar voor het recht. Dat hij zijn rechtenstudie pas op latere leeftijd aanvangt, weerhoudt hem er niet van om zich te onderscheiden. Charles schrijft over hem: “Ofschoon hij eerst op meergevorderden leeftijd zijne rechtsgeleerde studiën had aangevangen, had hij zich door zijne rechtskennis, zijn helder gezond verstand en zijn vlug oordeel als rechtsgeleerde grooten roem gemaakt.”

Redacteur, pleitbezorger, vrijheidsstrijder

In 1848 is Jean Henri Guillaume een van de meest gevreesde liberale stemmen van Nederland. Als redacteur van de Arnhemsche Courant schrijft hij politieke artikelen die de conservatieve wereld doen opschrikken. Charles is er helder over: “Zijn puntige, scherpe stijl, zijn onbevreesd aantasten van wat hij verkeerd achtte, maakten hem tot een der door de conservatieven meest gevreesde voorvechters van de liberale zaak in 1848!”

Hij is een vriend van Thorbecke en een warm voorstander van de Grondwetsherziening die in dat jaar eindelijk tot stand komt. Zijn vrouw Anna Sara Wichers is dochter van mr. Wicher Wichers, door De Bosch Kemper aangeduid als de bondgenoot van Thorbecke. Het liberale gedachtegoed zit diep in hun beider afkomst.

Een proces over een Troonrede

De strijd om persvrijheid is in die jaren bloedserieus. Wanneer de Arnhemsche Courant en het blad De Staatkundige Toverlantaarn de Troonrede kritisch bespreken, acht het openbaar ministerie dit ‘oneerbiedig’ genoeg voor vervolging. Uitgever Van Hulst wordt veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf wegens het ‘smaden des Konings’. Jean Henri Guillaume treedt op als advocaat in dit proces en meldt zich bovendien als schrijver van het gewraakte stuk.

De redenering van de rechtbank is opmerkelijk: ook al had de Koning de inhoud van de Troonrede met zijn ministers overlegd, het stuk moest toch als geheel als van de Koning zelf afkomstig worden beschouwd. Jean Henri Guillaume bestrijdt dit met kracht. Charles schrijft dat hij iedereen in de familie graag zou verwijzen naar de pleitrede: “Uit deze pleitrede kan men leeren hoe zestig jaar geleden de toestanden bij ons te lande nog waren. Drukpersvrijheid en volledige ministerieele verantwoordelijkheid hebben ook wij in Nederland niet zonder strijd en moedig streven verkregen!”

Charles besluit zijn beschrijving van dit hoofdstuk met een eerbetoon namens zijn eigen beroepsgroep: “Wij, journalisten, eeren daarom mr. J. H. G. Boissevain’s gedachtenis als die van een moedig en bekwaam kampioen voor drukpersvrijheid!”

Een man van vele podia

Jean Henri Guillaume beperkt zich niet tot de rechtbank en de krant. Hij is lid van de Provinciale Staten, van de gemeenteraad van Arnhem, en voorzitter van de commissie voor het middelbaar onderwijs. Overal, schrijft de Arnhemsche Courant in zijn overlijdensbericht, geeft hij blijk van helder oordeel en juiste waardering van het algemeen belang.

Als jurist schrijft hij meerdere werken ter toelichting van wetten. Zijn stijl is herkenbaar: helder, duidelijk, vloeiend. Hij is de raadsman van velen, niet alleen in juridische kwesties maar ook in maatschappelijke aangelegenheden. De Arnhemsche Courant: “Hij was de raadsman van zeer velen, zoowel in rechtsquaestiën als in maatschappelijke aangelegenheden. Zijn humaniteit, rechtschapenheid en welwillendheid hadden hem talrijke vrienden doen verwerven.”

Een plotseling afscheid

Op 29 april 1870 overlijdt Jean Henri Guillaume Boissevain in Arnhem. Hij is drieënvijftig jaar. De ongesteldheid die hem velt, duurt slechts enkele dagen. Het is een schok voor iedereen die hem kende. De Arnhemsche Courant, het blad waaraan hij ooit zijn reputatie opbouwde, schrijft de volgende ochtend: “Zijn verlies zal blijvend zijn, want Boissevain was in werkelijkheid een steun en een sieraad van de gemeente, waaraan hij zoo vroeg en zoo plotseling werd ontrukt.”

Hij laat negen kinderen achter. Twee zoons zijn al jong gestorven. De overige zeven zoons en twee dochters staan nu voor een toekomst zonder vader.

De dochter die vader verving

Van het grote gezin kent Charles Boissevain er slechts één persoonlijk: zijn nicht Wibbina, de oudste dochter. Zij neemt na de dood van haar vader de verantwoordelijkheid voor het gezin op zich. Charles schrijft over haar met zichtbare bewondering en genegenheid: “Van dat gezin ken ik alleen persoonlijk mijn lieve nicht Wibbina, de oudste van de kinderen, voor welke zij den vader poogde te vervangen, een zware taak die zij vervullen kon door karakter, bekwaamheid en onzelfzuchtigheid.”

Wibbina wordt directrice van de Hogere Burgerschool in Arnhem en later hoofd van de Middelbare School voor Meisjes in Amsterdam, waar zij in 1906, het jaar dat Charles schrijft, al 25 jaar aan verbonden is. Haar broers onderscheiden zich als officier, als leraar en als resident van de Javaanse gewesten Madioen en Preanger. Charles besluit: “Wanneer ik in het leven telkens hoorde hoe haar broeders als officier, als resident van Madioen, als leeraar zich onderscheidden, dan dacht ik steeds met grooten eerbied en hartelijke toegenegenheid aan mijn nicht Wibbine.”

Wat een naam draagt

Jean Henri Guillaume Boissevain leefde drieënvijftig jaar. Wat hij naliet, is meer dan negen kinderen en een handvol juridische geschriften. Hij liet een gezin na dat zich staande hield. Een nicht die een school leidde. Zoons die carrière maakten in leger, bestuur en onderwijs.

En hij liet een principe na: dat persvrijheid en ministeriële verantwoordelijkheid geen vanzelfsprekendheid zijn, maar verworvenheden waarvoor mensen als hij moesten vechten. Zijn neef Charles schreef zijn verhaal op, zodat de familie zou begrijpen waarvoor de naam Boissevain ooit stond. En staat.

De Amsterdamse koopman

Hoe Daniel Boissevain (1772-1834) de napoleontische tijd doorstond

In 1906 publiceerde Charles Boissevain, journalist en eigenaar van het Algemeen Handelsblad, een familiegeschiedenis onder de titel ‘Onze Voortrekkers’. Daarin nam hij het dagboek over van zijn grootvader Daniël Boissevain, koopman en mede-oprichter van de firma Retemeyer & Boissevain. Wat die dagboekbladzijden onthullen, is een portret van een man die midden in een van de meest turbulente periodes van de Europese geschiedenis gewoon zijn beurs bezocht, met zijn vrouw naar het theater ging en ’s avonds met zijn kinderen spekpannenkoeken at.

Een koopman in napoleontisch Amsterdam

Het jaar 1812. Napoleon trekt met een half miljoen man Rusland in. Maar in het dagboek van Daniël Boissevain klinkt dat nieuws aanvankelijk als verre donder. Hij is bezig met het huren van een huis, het regelen van een vervanger voor zijn schoonzoon Jan Retemeyer die dreigt te worden opgeroepen voor militaire dienst en het organiseren van een dansfeestje voor zijn kinderen, waarvoor hij zelfs toestemming nodig heeft van de commissaris van politie.

Op vrijdag 28 februari 1812 noteert hij droogjes: “Na Beurstijd bij Comm. van politie moeten vragen om permissie of wij morgen een Danspartijtje voor de kinderen mochten hebben!” Een zin die het klimaat van bezetting onthult beter dan elke geschiedenisles: ‘zelfs het kinderdansen stond onder Fransch toezicht’.

Daniël Boissevain woont met zijn vrouw en zeven kinderen in Amsterdam, dat inmiddels onderdeel is van het Franse keizerrijk. Hij is rechter in het Tribunal de Commerce – een functie waartoe hij werd benoemd en die hij niet kon weigeren – en houdt zich dagelijks bezig met de handel in koloniale goederen: cacao, indigo, koffie, graan. De koersen van Russische obligaties lopen als een rode draad door zijn aantekeningen.

Russen flauw, maar de haas was lekker

Wat het dagboek van Daniël zo fascinerend maakt, is de manier waarop wereldgeschiedenis en huiselijke besognes naast elkaar staan, zonder rangorde. Op maandag 31 augustus 1812 schrijft hij: “De gepasseerden Nacht niet geslapen wegens zorg over die ellendige Papieren.” Die ‘papieren’ zijn Russische obligaties, die in waarde dalen naarmate Napoleons veldtocht escaleert. Maar dezelfde week eet hij lekkere spekpannenkoeken met de kinderen en neemt hij hen mee naar de kermis om de Sterke Jongen te zien.

De financiële druk is reëel en zwaar. In januari 1813 ontvangt hij het bericht dat handelshuizen waarmee zijn firma grote vorderingen heeft, hun betalingen opschorten. Op zaterdag 16 januari noteert hij: “Ongelukkige dag, die mij het hart zeer bekneld maakte. God sterke mij in deze omstandigheden. ’s Avonds thuis gebleven. Zeer melancoliek.” Het zijn de enige regels in het hele dagboek waarin zijn innerlijk even zichtbaar wordt.

Oranje boven! De bevrijding van 1813

In november 1813 verandert alles. De Fransen trekken zich terug. Op maandag 15 november schrijft Daniël dat hij ’s avonds Oranjeliedjes hoort zingen in de Hartestraat, en dat de huisjes van de douaniers in brand zijn gestoken. Hij gaat gekleed naar bed en slaapt op de boven voorkamer, voorzichtig als altijd. Twee weken later rijdt de Prins van Oranje zijn straat in.

Zijn kleinzoon Charles, die de dagboeken decennia later leest, beschrijft hoe zijn eigen vader de bevrijding beleefde: “Bij het eerste ‘Oranje boven!’ ontsprongen vreugdetranen aan onze oogen. Ik zie mijn lieven vader nog voor mij. Hoe aangedaan van vreugde was de waardige man.” Het zijn woorden die laten zien hoe diepe emoties bewaard blijven in de familie, van generatie op generatie.

De les van de houthakker

Charles Boissevain plaatst het dagboek van zijn grootvader in een breder historisch perspectief. Hij gebruikt een treffend beeld: zoals de houthakker die zich in het kreupelhout omhoogwerkt door de wenkbrauwen van een halfgod, zonder te weten welk gezicht hij beitelt. Zo beleefden de Amsterdamse kooplieden de napoleontische tijd van binnenuit, zonder de tragische contouren te zien die latere generaties zouden herkennen.

Charles verdedigt zijn grootvader ook tegen wie hem een gebrek aan vaderlandsliefde zou verwijten. Daniël Boissevain was geboren onder het stadhouderschap van Willem V, had de Bataafse Republiek zien uitroepen, de vloot bij Kamperduin zien verliezen en zijn land langzaam zien wegzinken tot Franse provincie. “Het was een langzaam stikken geweest in de politieke modder”, schrijft Charles en voor een koopman en vader van zeven kinderen was openlijk verzet synoniem met verraad.

De gewoonten van een koopman

Na de bevrijding gaat Daniël Boissevain aan het werk om zijn zaak te hervormen. Hij ziet kansen in de Nederlandsche Bank en de Nederlandsche Handel Maatschappij. Zijn zoon, Charles’ vader Gideon Jeremie (1796-1875), richt een rederij op met schoeners op de Levant en barkschepen voor de grote vaart.

De wijsheid die Daniël zijn kleinkinderen naliet, vatte zijn zoon samen op een groot vel papier, dat hij Charles meegaf toen die als jongeman even overwoog koopman te worden. Charles citeerde het in volle omvang, als een testament van de familie: “Eene heilige eerbied voor de grondbeginselen der rechtvaardigheid moet de grondzuil van iedere zaak zijn. Hij breidt zijne zaken niet boven zijn vermogen uit. Hij verkiest een klein winstje met weinig gevaar boven de kans van grootere winst met meer gevaar.”

En Charles voegt er met zichtbare genegenheid aan toe: “Dit is niet de manier om spoedig rijk te worden, maar wel om ieder’s eerbied en een gerusten ouderdom te winnen” aldus zijn vader.

Een familieroman in dagboekvorm

Voor Charles Boissevain was het dagboek van zijn grootvader meer dan historisch document: het was een spiegel van familiaire waarden en een bron van troost. “Voor mij, zijn kleinzoon, is alles wat grootvader dag aan dag optekende, boeiend als een mooie familieroman” schrijft hij. Het verhaal toont hoe gewone mensen grote tijden overleven: met zorg, geduld, liefde voor hun gezin en een scherp oog voor de koers van de Russische obligaties.

Daniël Boissevain overleed in 1834. Zijn kleinzoon Charles stierf in 1927, na 41 jaar journalistiek bij het Algemeen Handelsblad. Drie generaties en drie tijdperken, maar in hun brieven en dagboeken klinkt dezelfde stem: nuchter, standvastig en diep gehecht aan huis en haard.